We hebben allemaal tientallen mails gekregen van verschillende ondernemingen in verband met de toepassing van de Europese richtlijn inzake de dataprotectie. Ondernemingen die geïnformatiseerde gegevens van hun klanten hebben, krijgen vele verplichtingen opgelegd en dit op straffe van ontradende sancties.

De logica zou uiteraard willen dat deze regeling ook van toepassing is voor de publieke overheden en in het bijzonder voor de fiscale administratie die zeker de meest uitgebreide databases heeft die het meest ingrijpend zijn van alle databases voor het privéleven van personen.

En dat is weldegelijk het geval aangezien de fiscus ook aan deze regeling onderworpen is. Maar volgens vroegere wetgevingen echter, die soms door het Grondwettelijk Hof werden geannuleerd, werd aan de wetgever een voorkeursregime toegekend.

Met andere woorden, wij zijn “goed” beschermd tegen private ondernemingen aan wie wij vrijwillig gegevens hebben doorgegeven en geen enkele macht over ons hebben, maar we zijn minder goed beschermd tegenover de fiscus die zonder onze goedkeuring privégegevens verzameld en die over te duchten machten beschikt.

De fiscus is er bijvoorbeeld niet toe gehouden om alle informatie die hij bezit over de gegevens van een belastingplichtige te geven, ook al vraagt die belastingplichtige dat. Hij bezit inderdaad over het recht om dit te weigeren, dit in afwijking van het normale regime en van het grondwettelijk beginsel van toegang tot administratieve documenten, wanneer dit schade zou kunnen berokkenen aan een controle die voorbereidt wordt of lopende is.

De fiscus zal de belastingplichtige ook niet moeten verwittigen wanneer hij informatie krijgt van derden.

Kortom, de GDPR zal van toepassing zijn op de fiscale administratie behalve wanneer de informatie die zou moeten gecommuniceerd worden werkelijk nuttig zijn voor de belastingplichtige…

Het kan lijken dat dit slechts een kwestie van procedure is, maar dit duidt ook op een echt probleem voor wat betreft de manier waarop de regering de rechten van de mens begrijpt.

In hun klassieke opvatting zijn deze de bescherming van de individuen tegenover de autoriteiten. Dit is van dwingende aard zodat deze moeten gerespecteerd worden zonder enig voorbehoud. De Staat moet zich organiseren om haar opdrachten uit te voeren met respect voor de rechten van de mens.

Op vandaag zien we dat de politieke macht, de administraties en zelfs vele juridische beslissingen vertrekken van een aanpak die de rechten van de mens veel meer inperkt. Volgens deze opvatting moet er constant een vergelijk worden gemaakt tussen het belang van hun bescherming en het belang van de opdracht van de autoriteiten die zogezegd van openbaar belang is. Dit komt neer op het zeggen dat de “rechten” er niet meer zijn en dat ze moeten aangepast worden in functie van de zogezegde noden van de openbare autoriteiten. Dit laat uiteraard alle mogelijke ontsporingen toe en kan overeenkomen met eender welk regime, al dan niet democratisch.

Daarom zijn dergelijke maatregelen belangrijk en gevaarlijk, net zoals sommige beslissingen van de rechtspraak die overduidelijk voortkomen uit dezelfde doctrine die ertoe leidt dat de rechten van de mens tot bitter weinig worden teruggebracht.

    

Brussel | Antwerpen | Luxemburg | Geneve | Fribourg | Madrid | Tel Aviv | Hong-Kong